KADELINK

Voor studie- en loopbaanadvies:

Hoe het goed gaat en toch ook niet: case Annabel

Annabel komt uit een doorsnee arbeidersgezin. Op de lagere school was Annabel een gedreven leerling met zeer goede resultaten. In het eerste middelbaar ging ze naar school in haar geboortedorp en koos ze de richting Latijn, een evidentie met zulke cijfers in het lager onderwijs. “Hoog mikken, zakken kan altijd nog,” hoorde ze haar moeder wel eens zeggen.

Annabel zette zich 100% in. Ze volgde als een plichtsbewuste leerling de lessen, blokte als een gek Latijnse woordjes vanbuiten, wou steeds gaan voor mooie rapportuitslagen en ontwikkelde (zonder zich er op dat moment van bewust te zijn) gigantisch veel faalangst (actieve faalangst). De faalangst was zo groot dat ze er alles aan deed om toch maar die goede cijfers te (blijven) behalen. Goed was voor haar minstens 70%, het cijfer waarvan ze het gevoel had dat ook haar ouders en leerkrachten het apprecieerden. Als je 70% had (of 7/10), had je je best gedaan en ging je niet af. Het was een acceptabel cijfer.

Hoe meer de jaren vorderden, hoe meer ze studeerde: in het eerste middelbaar was dat gemiddeld 1,5u per dag, in het zesde middelbaar werd dat gemiddeld 3u per dag. In vergelijking met vrienden en vriendinnen moest Annabel er veel meer voor doen. Ze bleef goede punten behalen en ogenschijnlijk was er niets aan de hand. Annabel zelf en haar ouders kregen steeds goede commentaren van de leerkrachten. Leerkrachten waren trots op haar, evenals haar ouders. Annabel werd ondersteund en geprezen thuis voor haar inzet. Ze groeide op in een milieu dat haar positief aanmoedigde.

In het vierde middelbaar werd Latijn zwaar. Al een tijdje had Annabel de droom om dokter te worden, een mooi en belangrijk achterliggend streefdoel in haar leven. “Dokter worden kan ook nog altijd als je wiskunde-wetenschappen volgt,” zeiden de leerkrachten. Bovendien had Annabel niets met taal, dus ook in dat opzicht leek wiskunde-wetenschappen een evidentie. Over een TSO of BSO-richting werd niet gesproken. Annabel had immers uitstekende punten. ASO verlaten was geen optie of kwam gewoon niet ter sprake. In de drie jaren die volgden, moest Annabel steeds meer studeren. Ze was goed in het vanbuiten leren van de materie. Een studiemethode had ze niet, ze deed het allemaal gewoon op haar eigen manier en het lukte.

Niemand had iets in de gaten, maar in het vijfde middelbaar viel Annabel plots uit. Haar klachten waren: moe zijn, concentratieproblemen hebben, werklust verliezen, het gevoel hebben dat geest en lichaam niet meer samen horen, het gevoel hebben niet meer uit deze staat van zijn / toestand te geraken. Haar moeder nam haar mee naar de huisarts en naar een gespecialiseerde arts. Zij wisten niet wat er scheelde met Annabel. Iedereen stond voor een raadsel. De eindconclusie was: “We weten niet wat er aan de hand is met uw kind, mevrouw, maar we vermoeden dat ze last heeft van stress.” Annabel maakte in haar studiecarrière drie periodes van drie weken als deze mee. Als volwassen vrouw weet ze zeker dat het periodes van extreme stress waren (of burn-outs?).

In het zesde middelbaar kreeg ze van het CLB uitleg over “verder studeren”. Ze herinnert zich nog goed dat er een brochure werd uitgedeeld met daarop alle universitaire richtingen in Vlaanderen. Over hogeschoolrichtingen werd toen in de ASO klassen nauwelijks gesproken. Annabel en haar ouders stelden zich daar geen vragen bij. De punten waren goed, de ambities van Annabel ook, dus ze zou hoe dan ook verder studeren in een universitaire richting. Universiteit moest niet van haar ouders, Annabel wilde dat zelf. Met zo’n goede punten kon ze wel een universitaire richting aan, vonden ook de leerkrachten. Annabel koos een universitaire richting op basis van eliminatie. Haar plan om dokter te worden, had ze laten varen. Wiskunde-wetenschap zei haar nog wel iets, maar niet genoeg om er in verder te studeren. Ze studeerde geschiedenis aan de universiteit omdat ze op keek naar de (job van de) geschiedenisleerkracht in het middelbaar. Hoe deze leerkracht omging met leerlingen en de passie voor zijn vak uitademende, dat wilde Annabel ook.

Plichtsbewust en doorzetter als ze was, zette Annabel in haar eerste jaar universiteit alles op alles. Omdat ze geen studiemethode ontwikkeld had in het middelbaar, verliep haar studie heel moeizaam. Ze leerde nog steeds alles vanbuiten en kreeg met haar eigen aangeleerde methode de grote hoeveelheden niet meer verwerkt. Haar ouders zagen haar doorzetten, volhouden, hard werken en ze moedigden haar aan. Toch slaagde Annabel niet in haar eerste jaar. De teleurstelling was enorm. Een groter drama kon Annabel zich niet voor de geest halen. Ze voelde zich compleet gefaald en haar zelfvertrouwen zakte enorm. Haar ouders bleven haar steunen, in haar geloven en zochten samen met haar naar oplossingen.

Annabel kon beginnen aan een individueel aangepast jaar waarin ze vakken van het tweede jaar kon meenemen. Ze zocht hulp bij een professionele studiebegeleider en een studiegenoot voor haar studiemethode. Deze twee zaken hielpen haar slagen in de daarop volgende jaren, maar Annabel verloor in het tweede jaar al de interesse in de studierichting geschiedenis. Eén van haar eigen levensmotto’s was: “Waar je aan begint, maak je ook af!” Ze zou kost wat kost bewijzen dat ze dit niveau kon behalen. Dus ze behaalde haar masterdiploma geschiedenis hard studerend en zonder interesse in de vakken, maar verder probleemloos. Omdat ze leerkracht geschiedenis wilde worden, voltooide ze ook nog haar lerarenopleiding.

Tijdens de stages in scholen besefte Annabel dat lesgeven toch niet helemaal haar ding was. Haar doel was wel bereikt: ze had aangetoond dat ze een universitaire richting aan kon en slaagde in alles met onderscheiding. Totaal studiemoe, vroeg ze zich op haar 23ste levensjaar af: “Wat wil ik eigenlijk écht in het leven?” Ze mocht van haar ouders nog studeren (haar ouders zelf hadden die kansen overigens nooit gehad) en ze besloot te kiezen voor een richting op de hogeschool, nl. orthopedagogie. Ze slaagde in deze richting al werd ze daar op kennisniveau nog weinig uitgedaagd. Na acht jaar studeren begon ze aan een job waarbij ze jongeren in problematische opvoedingssituaties één op één begeleidt in een opvoedingsstraject. Ze ontwikkelde een expertise in het thema jongerendelinquentie.

Op haar 35ste kwam Annabel langs voor een KernTalentenanalyse (founder: Danielle Krekels). Als KernTalentenanalist nam ik de tijd om haar levensverhaal (waarvan hier slechts een stukje is gedeeld en waarbij ik details heb gewijzigd om meer anonimiteit te waarborgen) onder de loep te nemen. Het is interessant om ons af te vragen welke zaken anders hadden kunnen lopen als Annabel op 15-jarige leeftijd (of later) een KernTalentenanalyse had gekregen.

  • Annabel heeft een klein (= energievreter) KernTalent ‘proactieve theoretische kennisverwerving in de breedte’, maar een sterk (= energiegever) KernTalent ‘proactieve theoretische kennisverwerving in de diepte’. Haar behoefte aan het proactief verwerven van theoretische kennis in de breedte (in een ASO-richting doet men niet anders dan dat) was niet zo groot. Dit in combinatie met een gebrekkige studiemethode zorgde er voor dat Annabel zich ontzettend moest inspannen voor zaken die eigenlijk energievretend voor haar zijn. Bovendien moest ze al die tijd de diepte en het specialisme missen. Zou ik Annabel aangeraden hebben met haar intelligentie een TSO of een BSO richting te volgen? Neen, wellicht niet, maar ik had haar wel inzicht kunnen verschaffen in zichzelf en ik had een verklaring kunnen geven over wat haar zo moe maakte (iets wat geen enkele specialist kon op dat moment voor Annabel).
  • Haar sterke KernTalent ‘competitie tegen jezelf’ waarin de componenten doorzetting, volharding en afwerken zitten, speelde ook een rol tijdens haar studietijd. Omdat ze van nature uit een doorzetter is, een natuurlijk perfectioniste en bovendien angst voor gezichtsverlies heeft (iets wat onlosmakelijk samenhangt met haar sterke KernTalent ‘strategisch inzicht’) zette ze alles op alles en kreeg daardoor al op jonge leeftijd te maken met faalangst en ontzettend veel stress. Op jonge leeftijd leren omgaan met perfectionisme, faalangst en angst voor gezichtsverlies doet je vaardigheden ontwikkelen waar je de rest van je leven voordeel uit kan halen. Dit had Annabel in een vroeg stadium kunnen leren.
  • Een goed onderwijs voor haar, zou een onderwijs geweest zijn, waarbij er maatwerk geleverd zou zijn. Dat wil zeggen, een onderwijs waarbij haar sterke KernTalenten zouden aangesproken worden:
    • handelsvakken, economie of een deelname aan mini-ondernemingen om haar KernTalent rond ondernemerschap aan te spreken;
    • menswetenschappelijke vakken om haar empathisch KernTalent kansen te geven;
    • veel stages of vakken waarbij de link met de praktijk overduidelijk zichbaar is omdat haar KernTalentenprofiel laat zien dat het een nutsdenker is en iemand die van concrete aanpak houdt.
  • Een KernTalentenanalyse en een goed gesprek in haar jonge jaren had al duidelijk kunnen maken dat geschiedenis gaan studeren aan de universiteit een gewaagde keuze zou zijn. Geschiedenis is een studierichting waarbij het KernTalent ‘proactieve theoretische kennisverwerving in de breedte’ wordt aangesproken. Dat op zich boeit Annabel al niet zo. Doen we daar dan nog een klein KernTalent ‘informatieoverdracht’ bij, dan kan je al voorspellen dat voltijds leerkracht geschiedenis worden een uitputtingsslag zou zijn.

Specialisme en het specifieke, specialistische onderwerp hadden we op jonge leeftijd nog niet kunnen vaststellen, maar de focus van Annabel en haar ouders had misschien wel anders kunnen zijn. Lang breed blijven in een ASO is geen probleem, maar dan wel meer vanuit het opzicht: zoveel mogelijk onderwerpen ontdekken (niet noodzakelijk al die onderwerpen leren?). Omdat haar KernTalent ‘pure transpositie empathie’ haar sterkste KernTalent is en de KernTalenten die te maken hebben met ‘sociabiliteit in groep’ klein zijn, was de visie en een concentratie op een één op één relatie met mensen geen vreemd gedacht. Veel kans dat de focus al eerder zou zijn komen te liggen op menswetenschappelijke richtingen.

Dit is maar een fractie van de gegevens die ik kan afleiden uit een KernTalentenanalyse. Er is nog veel meer mogelijk.

Ken je zelf jongeren die geholpen zouden zijn met het in kaart brengen van hun persoonlijkheid om via die weg een goede studiekeuze te maken? Verwijs hen door naar Kadelink. Met mijn expertise van meer dan 15 jaar kan ik hen inzichten geven in zichzelf en voldoende vertrouwen schenken om de toekomst gedreven verder te zetten. Misschien ook leuk als kerstcadeau?

Ilse Hendrickx
30 november 2017

Nota: Annabel is een fictieve naam en dit bericht wordt gepubliceerd met de toestemming van de persoon in kwestie.