KADELINK

Voor studie- en loopbaanadvies:

Hoe het goed gaat en toch ook niet: case Annabel

Annabel komt uit een doorsnee arbeidersgezin. Op de lagere school was Annabel een gedreven leerling met zeer goede resultaten. In het eerste middelbaar ging ze naar school in haar geboortedorp en koos ze de richting Latijn, een evidentie met zulke cijfers in het lager onderwijs. “Hoog mikken, zakken kan altijd nog,” hoorde ze haar moeder wel eens zeggen.

Annabel zette zich 100% in. Ze volgde als een plichtsbewuste leerling de lessen, blokte als een gek Latijnse woordjes vanbuiten, wou steeds gaan voor mooie rapportuitslagen en ontwikkelde (zonder zich er op dat moment van bewust te zijn) gigantisch veel faalangst (actieve faalangst). De faalangst was zo groot dat ze er alles aan deed om toch maar die goede cijfers te (blijven) behalen. Goed was voor haar minstens 70%, het cijfer waarvan ze het gevoel had dat ook haar ouders en leerkrachten het apprecieerden. Als je 70% had (of 7/10), had je je best gedaan en ging je niet af. Het was een acceptabel cijfer.

Read more

November reflectiemaand

Eind oktober krijgen de meeste leerlingen van het secundair onderwijs vlak voor de herfstvakantie een eerste rapport ‘dagelijks werk’. Wat vertelt dat rapport jou?
Hopelijk is je school zo verstandig om het niet alleen over punten te hebben, want wat zegt een punt? De een zegt: “Heel veel, want het toont aan of je je dagelijks inzet of niet!” De ander is van mening: “Een punt zegt helemaal niets, niet of je het vak graag doet en ook niets over je leerprestatie. Want sommigen leren niets en hebben toch heel goede punten. Anderen leren heel veel en behalen goede punten, maar hebben totaal geen interesse in de leerstof en zijn alles al na één dag vergeten. Nog anderen doen niets en presteren ook niets, maar zitten wel boordevol talent dat niet aan de oppervlakte komt.”

Read more

Don’t give up!

Destijds reed ik nog voor studiemethodebegeleiding met mijn autootje naar de leerlingen. Toen ik voor het eerst bij Jacob aan huis kwam, maakte ik ook kennis met zijn moeder, de twee poezen en de tienerkamer (met boksbal en gesneuveld meubilair). De vraag was of ik Jacob kon begeleiden. Klein detail: Jacob was hoogbegaafd en had enkele ernstige leerstoornissen. Hij kon zich niet concentreren, had geen planning, geen structuur, was niet georganiseerd en door heel de situatie was zijn motivatie naar het dieptepunt gezakt. Zijn moeder zat werkelijk met de handen in het haar, kon om de haverklap naar school om zijn gedrag uit te leggen. Bij sommige mensen op school of bij het CLB vond ze steun, maar ik herinner me ook de vele keren dat ze onbegrepen werd en dat ze daadwerkelijk door een vuur ging voor haar zoon (hoe storend zijn houding in de klas ook kon zijn, dat wist ze zelf ook). Ik heb zelden een moeder zo weten vechten voor haar zoon.

Read more

Het klassieke ‘leren leren’ is achterhaald

Na 16 jaar lang te hebben gewerkt als studiemethodebegeleider, vind ik het tijd om de balans op te maken. Dit zijn de meest opvallende vaststellingen (puur op basis van ervaringen uit het werkveld):

  1. Doorheen de jaren zijn jongeren meer en meer gedemotiveerd geraakt over de manier waarop leraren hun vak doceren. Ze hebben het vooral moeilijk met leerkrachten die niet praten vanuit passie voor het vak en ze hebben het moeilijk met ‘regeltjes en kaders’ die nergens toe leiden.
  2. Er is een groeiend aantal leerlingen en studenten die klagen over ernstige concentratieproblemen. Bijvoorbeeld bij AD(H)D-ers is dat een te verwachten klacht, maar de klacht is veel algemener geworden.
  3. Stress bij jongeren en studenten in het algemeen stijgt. Er zijn de laatste jaren in mijn praktijk meer opmerkingen over slecht slapen en moe zijn, spanningen thuis en op school, angsten over prestaties op school, enz..
  4. Jongeren kunnen sterker verwoorden wat ze willen en geven me een inkijk in hun grootse dromen (waar ik ontzettend dankbaar voor ben, want mijn hemeltje,… wat een talenten zijn het!). Daarnaast zijn ze onnoemelijk onzeker en weten ze niet goed hoe ze die dromen kunnen bereiken. Over die onzekerheid praten ze niet graag met ouders en vrienden en ze hebben het gevoel dat de school hen niet genoeg helpt in de voorbereiding op ‘het échte leven’.
  5. Tieners en jongvolwassenen kunnen steeds moeilijker de link leggen tussen wat ze leren en het échte leven. Ze zien het nut niet in van de dingen die ze moeten leren en durven daar ook echt over praten. Ze willen veel meer en eerder to the point komen omtrent hun levensloopbaan. Ze voelen zich hierin niet begrepen door leerkrachten en opvoeders en geven er bijgevolg zelf de brui aan of ervaren bijzonder veel stress.

Read more